side bg

Henk Visee

Henk ViseeHenk Visee wordt geboren in 1925 in Wijk bij Duurstede als jongste zoon van Dirk Visee en Johanna Broekhuizen. Zijn vader werkte als beurtschipper en later onder andere in de fruitteelt. Het gezin woont in de binnenstad. Henk trouwt met Henriëtte Boon en het paar krijgt twee kinderen, Dirk en Hetty. Na gewerkt te hebben bij diverse werkgevers wordt Henk Visee bode bij het gemeentehuis. Hier ontstaat het plan een lijst te maken van alle bijnamen die in de binnenstad in omloop zijn. Tot zijn pensioen in 1989 blijft hij bode.

Bijnamen zijn heel gewoon

Over Kuggie, Prikkert en Satopack

‘Hé Jas Kok!’. Henk steekt zijn hand op naar de man aan de overkant van de straat. Er wordt terug gegroet. ‘Hoe gaat ie, Henk?’ Henk steekt zijn duim op. Even verderop komt hij Merci tegen. Die heeft hij al een poosje niet meer gezien. Jammer genoeg heeft hij geen tijd voor een praatje, maar dat maakt niet uit. Al heeft Henk hem een tijd niet gesproken, de mensen uit de buurt houden hem wel op de hoogte. Ze praten hier veel met en over elkaar. Er is altijd wel iemand die de nieuwtjes doorvertelt.

Als bode in het gemeentehuis van Wijk bij Duurstede maakt Henk Visee regelmatig zijn rondje door de stad om de huur op te halen. Hij kent er dan ook veel mensen. Niet alleen van zijn werk, maar ook vooral uit zijn jeugd. Malle namen eigenlijk, denkt Henk: Jas Kok en Merci. Het zijn dan ook niet de namen waaronder de inwoners van deze buurt staan ingeschreven bij de burgerlijke stand, maar de namen waaronder iedereen ze kent.

En zo zijn er wel meer. Zandmees, Kuggie, Gebraden Kaas, als vanzelf schieten de namen Henk te binnen. Hij heeft al eens eerder bedacht dat het leuk zou zijn om al die bijnamen op te tekenen. Wijk wordt langzaam aan steeds groter en over een aantal jaren kent niemand die bijnamen meer. Het zou jammer zijn als ze verloren zouden gaan. Het is al een heel oude traditie. In de bestuursbesluiten van de magistraat van wijk in 1569 is sprake van een opgepakte ketter, de “linnenwever Dieric Cornelisz, bijgenaamd Sladoot”.

Henk vervolgt zijn rondje door de binnenstad. Opnieuw steekt hij zijn hand op. ‘Heu, Prikkert!’ roept hij. Veenhof groet vriendelijk terug. Henk weet nog hoe de man vroeger door een wesp in zijn tong was gestoken. Dat had blijkbaar zo’n indruk gemaakt, dat hij de bijnaam Prikkert kreeg.

Hij kwam er niet meer vanaf…  En dat is wat hij ook graag wil vastleggen – voor zover mogelijk – niet alleen de bijnamen, maar ook hoe de mensen eraan zijn gekomen. Dat gaat nog een hele klus worden, want vaak weten ze dat niet meer. Hoe komt iemand nu aan de bijnaam Hennie nie worst? Er zal vast wel een heel verhaal achter zitten. Of Satopeck, ook al zo’n aparte naam. Al wandelend door Wijk dwalen zijn gedachten af naar zijn eigen jeugd.

Beurtschipperskind, geen vetpot
Hij was de jongste zoon in het gezin Visee. Hij herinnert zich nog dat zijn vader beurtschipper was op de Kromme Rijn. Heel klein was hij toen en zijn herinneringen zijn vaag. Hij ziet nog hoe zijn vader en af en toe zijn oudere broers het schip over het jaagpad langs het water trokken. Het was zwaar werk en het waren soms barre tochten. Zelf was hij in die tijd nog te klein om mee te kunnen helpen. Ook herinnert hij zich de haven aan het Walplantsoen. Daar vandaan vervoerde zijn vader granen, bakstenen en zand.

Ook werd er fruit vervoerd naar de markt in Utrecht. Vooral de schuit met motor van Van Leersum boezemde de jongens ontzag in. Daarmee onderhield Van Leersum een bodedienst naar Amsterdam. Niet alleen vervoerde hij goederen, maar hij nam ook wel eens personen mee. Zijn vader kon zich een dergelijke schuit niet veroorloven.

De concurrentie met andere beurtschippers was zwaar. Ieder probeerde op zijn eigen gebied een inkomen te verwerven. Henk´s vader deed dit met het vervoer van bouwmaterialen, anderen vervoerden griendhout vanaf de landgoederen, zoals Sandenburg. Met het laden van bossen griendhout verdienden weer anderen hun geld. Dat leverde zo´n tien cent per bos op. Dat griendhout werd gebruikt voor waterstaatswerken en gesneden als teen voor het maken van manden. In de jaren 20 en 30 van de 20ste eeuw kwamen geleidelijk de eerste vrachtauto´s en dat bleek uiteindelijk de nekslag voor het werk van de beurtschippers.

Het vervoer over de weg ging een stuk sneller. Voor het personenvervoer was dat precies zo. De WABO, de Werkhovense Auto Bus Onderneming begon met het aanbieden van busdiensten naar de grotere plaatsen in de omgeving, evenals concurrent Blom uit de Wijkse binnenstad.  De modernere vormen van vervoer zorgden ervoor dat de haven aan het Walplantsoen rond 1935 verdween. Henk had van zijn broers wel begrepen dat de crisisjaren het gezin op de rand van de afgrond hadden gebracht. Met de schuit was geen droog brood meer te verdienen.

Voor vader betekende het dat hij op een andere manier zijn geld moest verdienen. Net als zoveel mensen ging ook hij peren en kersen plukken in de boomgaarden in de omgeving. Hij stond in de bogerd, in de `père en de karse`, zoals dat ook nu nog wordt genoemd. Het was heel hard werken. Doordat het seizoenswerk was, waren de inkomsten een stuk minder, maar er heerste wel altijd een bijzonder gemoedelijke sfeer. Dat was het ook vaak in het café waar hij wel eens kwam. Ondanks de slechte tijden, werd er elke dag een prachtig patroon van zand op de vloer gestrooid. Het oog wil ook wat!

Samen de lakens delen en een varkentje in de tuin
In Wijk bij Duurstede waren er in de crisisjaren buurten die als achterbuurt aangemerkt werden. ‘Alles is er vet, behalve het eten.’ Geld is er niet, schoon is het ook lang niet overal, maar het is de vraag of de mensen daardoor ongelukkiger zijn. Als het nodig is, dan zijn ze er voor elkaar, dacht Henk vaak bij zichzelf. Toen er bijvoorbeeld in zo’n buurt een kind geboren moest worden, moest de vroedvrouw lakens bij de buren lenen. De meeste mensen hier waren al blij als ze maar één stel lakens hadden. Voldoende eten was belangrijker.

Ook vroeger bij zijn ouders was het geen vetpot. Om de winter door te komen hielden ze een paar varkens. Ze liepen in de tuin, waar ze werden gevoerd met etensresten en ander afval. Van de twee varkens bij Henk thuis was er één bestemd voor de slacht. Henk herinnert zich, dat zijn vader nooit ging kijken als de slager kwam.

Vader was niet zo’n held. Toch was het altijd feest als er een varken werd geslacht. Een deel van het vlees ging naar de slager, maar er bleef ruim voldoende over voor hun gezin. Een gezellige drukte volgde altijd: het vlees ging in de kuip met zout. Ook werden er worsten gerookt, balkenbrij gemaakt en leverworst. Vervelend was het als zijn moeder of een van de meisjes die meehielp dan net ongesteld was, want dan konden ze niet helpen, herinnert Henk zich nog. Dan zou het vlees bederven en dat konden ze zich niet veroorloven.

Henk ziet zo de spekkist weer op zolder staan en de worsten aan de balk hangen. Het water loopt hem weer in de mond als hij terug denkt aan die tijd. Dat zijn de goede herinneringen. Maar hij herinnert zich ook nog goed de bittere armoede: “Ik weet nog, dat toen ik als dertienjarige van school kwam het er niet naar uitzag, dat ik later zo goed terecht zou komen. De schooljaren eindigden toen nog in april. Na de lagere school was er voor ons soort jongens en meisjes geen sprake van een verdere opleiding. We moesten toen alleen maar oud genoeg zijn om van school af te mogen. Voor mij hield dat in dat ik twee jaar in de zesde klas heb gezeten.

Daarna moest ik meteen aan het werk. Mijn eerste baantje was bij de kruidenier. Voor twee gulden vijftig in de week, dat weet ik nog goed. De kruidenierswaren, zoals meel, suiker en groene zeep, lagen toen nog los in de bakken en dat betekende dat ik alles moest afwegen. Die mevrouw die er op stond na te wegen wat ik zojuist voor haar had gewogen, vergeet ik nooit meer. Ze wou toch even zeker weten dat ik haar niet had beduveld. Dat heeft toen een behoorlijke indruk op me gemaakt.”

Kruideniersknechtje, fietsenmaker, buschauffeur, bode
‘Henk werkte niet heel lang bij de kruidenier. Bij de ondernemende fietsenmaker Dirk van den Hurk  van de winkel op de hoek van de Markt en de Klooster Leuterstraat, kon hij aan de slag  als hulpje. Hij zou daar 13 jaar werken. Henk heeft er goede herinneringen aan: “Naast het repareren van fietsen verhuurde Van den Hurk ook auto’s. De Fiat 1100, die in die tijd werd gebruikt als ambulance, zie ik nog zo voor me. De auto had een grote achterdeur waar je de brancard zo naar binnen kon schuiven. Heel wat keren moest ik bij nacht en ontij uit bed om mensen naar het ziekenhuis te brengen. Dat was de minder leuke kant van het dicht bij je werk wonen.”

Hij heeft ook nog korte tijd gewerkt als buschauffeur. Maar zijn laatste baan als bode van het gemeentehuis heeft hij altijd als heel plezierig ervaren. Vooral omdat het destijds niet zo eenvoudig was om als niet-katholiek een baan op het gemeentehuis te krijgen. Dat er voor hem een uitzondering werd gemaakt beschouwt hij als een voorrecht.

Het is nauwelijks voor te stellen dat er in de jaren 1950 en 1960 nog vele publieke zaken via de geloofszuilen geregeld werden. Henk is duidelijk blij met de betere tijden anno nu. “Alles beter dan de crisistijd en de oorlogsjaren. Het uitgegraven van het Amsterdam-Rijnkanaal was een werkproject voor werklozen in de 30-iger.

De boeren werden uitgekocht en alle bomen werden gekapt. Samen met mijn broers heb ik hier nog hout weggehaald. Het graven was behoorlijk zwaar werk en mensen uit de wijde omgeving hielpen mee. Uit Maurik, maar ook zelfs uit de omgeving van Nijmegen. Zwaar werk was het, maar vooral de leefomstandigheden waren slecht. Dat is zeker geen periode waar ik met plezier aan terug denk.’

Rooie Graddes, Kontenkrabber en Nelis Nekslag
Op zijn wandeling door Wijk komt hij een man tegen met vuurrood haar. Geen wonder dat deze de bijnaam: Rooie Graddes had, een redelijk ‘nette’ bijnaam. Mien Flodder of de Kontenkrabber zullen wellicht minder gecharmeerd zijn geweest van hun bijnaam, maar – zo benadrukt Henk – de meesten weten niet beter en zijn er al lang aan gewend..

Er zijn verschillende ‘categorieën’ in de bijnamen: gebaseerd op uiterlijke kenmerken, zoals flaporen, een lange nek of de haarkleur, of bepaalde karaktereigenschappen of gebeurtenissen. Of het nu een schuinsmarcheerder is, een gulle gever of een vrek, een bijnaam is snel bedacht.

Net als alle ‘oude Wijksen’ is Henk gewend de mensen met hun bijnaam aan te spreken; de namen worden zeker niet als scheldnamen beschouwd. Hij zou het zelfs raar vinden om de mensen hier ineens aan te moeten aanspreken met Jacobs, Spithoven of Kosterman. Erg verwarrend ook, want daar zijn er nogal wat van.

Samen met zijn vrouw en een aantal goede kennissen komt Henk op steeds meer bijnamen:

Nelis Nekslag, Leentjie Poep en Mien Spagaat. Bij een fiks aantal is het ook Henk een raadsel hoe ze ontstaan zijn. Niet bij Piet de Bles, die zo wordt genoemd omdat hij zo’n mooie lichte vlek in zijn haar heeft. Haarkleur of liever een erg afwijkende haarkleur is wel vaak de bron van een bijnaam: Rooie Piet, Rooie Gart, Witwolkie, Hannes de Witkop, Zwarte Thijs, Witte Jantje, allemaal gemakkelijk te herkennen. Maar waar komt Martha van Tatta  (de dochter van Gradda van Os) vandaan?

Frans de Pinneus, Duitse Piet, Lammertje Vetlul
En neem nou de familie Broekhuizen, daar zijn er dan nog niet eens zo heel veel van. Maar om ze te onderscheiden van elkaar, hebben ze allemaal een bijnaam. de Waterzak, Poepspuit of Frans de Pinneus, de Breje, Luisie, Rooie Johan, Kromme Krien, Nelis Nekslag, Tietenkoning, Rooie Piet, Korte Riesie, Teun de Snotter en Bibbertjie.

Ook de familienaam Kosterman komt veel voor onder de rond 4000 inwoners van het Wijk bij Duurstede van rond 1970. De Kostermannen heetten in de vox populi, de Banaan, Straaljager, de Spekroker, Bonanza, Smots, Pintje Melk, de Rijke Schooiert, Jumbo, Kabinet, Stiefbeen, Stekeltje, de Moppentrommel, Zwarte Trees en Lullevekassie.

En ging het gesprek over voetbal, dan hoorde je bijvoorbeeld teksten als: “Duitse Piet heeft prima gespeeld, hij was weer de held van het voetbalveld.’ Duitse Piet, oftewel Piet Höller, kon voetballen als geen ander. Het is trouwens niet de enige Duitse naam die in Wijk voorkomt. Duitse Lisa en Skoep in de groend, oftewel Gründschüpper, zijn er ook nog.

Van ver achter Nijmegen zijn ze indertijd hierheen gekomen om te werken, herinnert Henk zich. Velen van hen hebben toen een baan gevonden in de steenfabriek.  Henk noteert alles wat hij uit zijn en andermans geheugen oppakt in een notitieboekje: Zwabberbil, Hannibal, Bet de Primula, Lowieke de Vos, de Laborant, Lammertje Vetlul, het Juffertje, Oekabella, Zorro, Crookewit en Dubbele Wastafel, die zo wordt genoemd vanwege de luxe badkamer in haar huis.

Maar ook de Ekster, Coba van Generaal Witsik, Ké de Burgemeester en Popeye. Corrie de Kater, Vrolijke Canadees, Kat aan het touwgie, Gijsie kijkt binnen, Borstbeeld, de Brommer, Fik Fakkie, Koning van het Wijkerbroek, Toon de Hoed, Pampie Doo, de Grote God, de gezusters Hamster, Golo, Zuurkool, Koop me lèg, Stijve Oortjes en ’t Menneke!!!! Toen Henk de namen in zijn opschrijfboekje ging tellen kwam hij tot ruim 400! En dat zijn ze zeker nog niet allemaal.

Wanneer u dit leest en nog namen weet voor onze verzameling, neem dan contact op met Norma Mulder, telefoon: 0343-591568. Zo wordt de lijst van Henk steeds completer.

Interview en uitwerking: Ali van Vemde
Gepubliceerd in 2008 in: ‘Wijk toen, Wijk nu, de verhalen’.
Samenstelling en portretfoto: Coos van den Hoek
ISBN-13: 978-90-812961-1-3
Bewerking voor de website: Norma Mulder

side bg