Trots op zijn vader en trots op Wijk

In gesprek met Bart van Dam

Bart van Dam

Bart van Dam werd op 21 februari 1935 geboren te Wijk bij Duurstede. Hij bleef zijn hele leven ongehuwd. Na de Tweede Wereldoorlog ging hij in Utrecht naar het gymnasium. Hier studeerde hij rechten. Dit was een goede voorbereiding op zijn werkzaamheden in het bedrijf van zijn vader, dat financiële diensten aanbood. Na de dood van zijn vader in 1966 nam hij dat bedrijf over. Tegelijkertijd ging hij een samenwerking aan met de ABN, die later zou fuseren met de AMRO. Ook trad Bart elk voorjaar op als veilingmeester bij verkopen van pachtgronden in de fruitsector. Bovendien was hij actief in de hervormde kerk, als vrijwilliger bij de Rotaryclub en jarenlang regent van het Ewoud en Elisabeth Gasthuis.

De Markt in het oude centrum van Wijk bij Duurstede

Het regende vandaag alweer pijpenstelen. Bart van Dam zat met zijn neus tegen het raam gedrukt. Al dagenlang had hij niet met zijn vriendjes buiten kunnen spelen. Hij kon zich niet herinneren dat hij sinds de verhuizing naar Nieuw Bouwlust zo veel dagen achter elkaar binnen had gezeten. Het huis was best mooi. Er waren wel tien kamers en een hele grote kelder. Hij had ze allemaal al een keer bekeken.

Bart verveelde zich. Hield de regen maar een keer op, dan kon hij er weer eens met zijn vader op uit. Bart genoot altijd van die wandelingen. Vaak liepen ze door een van de vele hoogstamboomgaarden achter hun huis. Vooral in de lente vond hij het prachtig om tussen de bloesem van de bomen door te lopen. Maar zo’n wandeling zat er nu niet in. De smalle paden tussen de bomen waren veranderd in een modderpoel.

Tegen de middag hield het toch op met regenen. ‘Bart ga je mee?’ klonk de stem van zijn vader van beneden. ‘Papa moet even naar het Gasthuis. Daarna kunnen we misschien wat door de stad wandelen.’

Bart rende de trap af. De stad in! Papa kon altijd zo prachtig vertellen over de gebouwen en de mensen die er gewoond hadden. Soms leek het net een spannend jongensboek.
‘Gaan we straks nog kastanjes zoeken, papa?’ vroeg hij.

‘Ja, jongen, dat is goed.’ Vader zette zijn kraag op. Bart volgde zijn voorbeeld. Zo konden ze er wel tegen.
Vanuit Nieuw Bouwlust liepen ze de Singel af richting de Veldpoortbrug. Toen ze langs de smederij van Eden liepen, bleef Bart staan bij de walnotenboom. De noten lagen overal op straat. Meteen begon hij zijn zakken vol te stoppen.

‘Kom Bart, we moeten doorlopen jongen,’ riep zijn vader. ‘Ik wil terug zijn voordat het weer gaat regenen.

Ze liepen naast elkaar de brug over, het oude stadscentrum in.
Terwijl ze door de Veldpoortstraat liepen, kon Bart het niet laten om een van zijn favoriete spelletjes te spelen. Meestal deed hij dat met zijn vrienden. Ze kropen dan onder de kettingen door die de stoepen van de huizen scheidden van de rijweg en deden dan wie het snelst aan het einde van de straat was.
Bart schrok van een claxon. Hij keek om en zag een grote vrachtwagen over de brug aan komen rijden. Hij voelde hoe zijn vader zijn hand pakte.
‘Kom aan de kant, jongen, voordat je eronder komt.’
Ze drukten zich tegen de huizen. Terwijl het gevaarte passeerde, stak de chauffeur vriendelijk zijn hand op. De wagen stopte bij de Keizerskroon, het hotel-restaurant van de familie Dijkman. Een paar mannen kwamen naar buiten om de vrachtwagen uit te laden. Omdat zij de straat blokkeerden moesten Bart en zijn vader oversteken.
Daarna stapten ze stevig door. Ze kwamen langs de Wijkse Handelsonderneming en de Spaarbank. Toen ze in de buurt van de Markt kwamen, schoot er een groepje kinderen langs hen heen.
‘Hé, Bart kom je ook op de Markt spelen,’ riep een van de jongens.
‘Nee, ik heb geen tijd. Ik moet belangrijke dingen doen, met mijn vader.’

Even later kwamen ze op de Markt. Bart keek hier elke keer zijn ogen uit. Hij vond het er altijd weer prachtig; het oude stadhuis, de enorme kastanjebomen en de andere oude gebouwen rondom het plein. Altijd was er wat te beleven. Op de paar spelende jongens na was het er nu rustig. De jongens speelden op de trappen van het stadhuis en ervoor stonden een paar mannen te praten.
Ze keken ernstig en leken serieuze zaken te bespreken.
‘Ze moeten daar in Neurenberg al die moffen ophangen,’ hoorde Bart een van hen zeggen.
‘Ja, aan de hoogste boom,’ viel een ander hem bij. ‘Het is alleen jammer dat de kopstukken er niet bij zijn. Die hebben alle ellende veroorzaakt. Ze hebben alleen de kleintjes te pakken gekregen.’
Op dat moment zag de man Bart en zijn vader aankomen.
‘Goedemiddag meneer Van Dam, aan de wandel?’ vroeg hij. ‘Lekker dat het even droog is hé?’
Barts vader keek naar de lucht. ‘Ja nu is het nog droog, maar dat valse oktoberzonnetje voorspelt volgens mij niet veel goeds.’
De man knikte. ‘Heeft u de Wijkse Courant nog gelezen, over het proces in Neurenberg?’ vroeg hij verder.’
‘Nee, ik heb helaas nog geen tijd gehad voor de krant,’ antwoordde vader. ‘Maar ik heb er wel iets over gehoord op de radio.’
Bart trok zacht aan de hand van zijn vader. Als die eenmaal over de oorlog begon, dan hield hij niet meer op en ze zouden immers nog kastanjes gaan zoeken.
‘Ja, Bart, we moeten verder. Neemt u mij niet kwalijk, heren,’ zei vader beleefd, ‘ik heb nog het een en ander te doen.’
Terwijl ze verder liepen, kon Bart in de verte nog net een glimp van de toren van het kasteel opvangen. Juffrouw Lokhorst, die hem tijdens de oorlog les had gegeven, kon daar zo prachtig over vertellen. Het kasteel had de stad zijn naam gegeven: Duurstede heette het en de stad werd toen: Wijk bij Duurstede. Het kasteel was nu niet meer dan een ruïne, bedekt onder mos, planten en struiken.
‘Maar daaronder zat een rijk verleden,’ had ze verteld. ‘Bisschop David van Bourgondië had er gewoond. Toen was Wijk nog een belangrijke stad. Later was het kasteel afgebroken en de stenen waren gebruikt om er huizen van te bouwen.’ De juffrouw kon maar wat spannend vertellen.
‘Zullen we straks nog even bij het kasteel gaan kijken, papa?’ vroeg Bart.
‘Ja dat is goed, mijn jongen. Dan lopen we wel via de Singel terug. Maar eerst moet ik nog van alles doen.’
Ze liepen de Klooster Leuterstraat in. Bart zag zijn vriendjes nog via de Oude Kerkhof wegrennen. Door het steegje heen zag Bart de toren van de grote kerk boven alle huizen uitkomen. Bart liet zijn blik er langs omhoog glijden.
‘Het oudste gedeelte van de kerk stamt al van 1365,’ hoorde hij zijn juffrouw weer vertellen. ‘De toren is later gebouwd door David van Bourgondië. Eerst woonde de bisschop in Utrecht, maar na een ruzie met de andere kerkbestuurders, wilde hij daar niet meer wonen. Daarom verhuisde hij naar kasteel Duurstede. In 1486 gaf hij toen opdracht om de kerktoren te bouwen. Maar omdat het geld op een gegeven moment op was, kwam de toren nooit af.’
De verhalen, die juffrouw Lokhorst vertelde, vergat je nooit meer. Net als die over de Vikingen, toen Wijk bij Duurstede nog Dorestad heette. Toen was het ook al een belangrijke stad geweest. Bart was er dan ook heel trots op.
Verderop in de straat liepen ze het kleine plein voor het badhuis op. Normaal was het in en rond het badhuis altijd een drukte van belang. Bij de klompenmaker, direct naast het badhuis, stonden ook altijd mensen in de zaak. Nu was het rustig op het plein. Er speelden zelfs geen kinderen.
‘Waar gaan we nu ook al weer naar toe?’ vroeg hij zijn vader.
‘Naar het gasthuis, Bart. Ik moet even wat aan de binnenmoeder afgeven. Dan kan ik gelijk zien, of alles in orde is. En ik moet ook nog even de boeken doorkijken, voor de vergadering van volgende week,’ legde hij uit.
Trots liep Bart naast zijn vader voort. Hij was een regent van het Ewoud en Elisabeth Gasthuis. Dat was een belangrijke functie, wist Bart. Dat zag hij aan de mensen die ze tegenkwamen. Ze groetten zijn vader telkens beleefd. Ook de pastoor groette hen vriendelijk toen ze bij de ingang van kerk kwamen.
‘Goedendag heren Van Dam.’ Hij knipoogde even naar Bart. ‘Ook aan de wandel na de regenbui van vanochtend? Maar gelukkig zorgt de Goede God nu even voor een paar droge uurtjes,’ grapte hij.
‘Hij heeft anders ook voor drie dagen regen gezorgd,’ bromde Barts vader.
‘Regen is ook nodig,’ reageerde de pastoor. ‘Trouwens, dan genieten we weer extra van het zonnetje.’
‘Daar heeft u gelijk in.’ Barts vader lachte alweer. ‘Maar nu moet ik door. Ik moet naar het gasthuis; de boeken inkijken.’
‘En jij mag zeker mee om het te leren?’ vroeg de pastoor aan Bart. ‘Dan weet je alvast hoe het moet als je je vader wilt opvolgen.’
‘Inderdaad, meneer pastoor,’ bevestigde vader in Barts plaats.
‘Ga dan maar gauw, want het begint al weer behoorlijk te waaien.’ De pastoor haastte zich de pastorie in.
Terwijl ze verder liepen, dook Bart dieper zijn kraag in. In de Peperstraat zag hij de uithangborden rammelend heen en weer zwaaien in de wind.
In de Oeverstraat aangekomen, stopte Barts vader voor de winkel van Diepeveen.
’Ik moet voor mama even een stukje kaas halen, Bart,’ zei vader. ‘Help me herinneren dat we op de terugweg nog even langs slager Van Bekkum gaan. ‘Daar heeft moeder ook iets van nodig.’
‘Maar papa, de slager komt het vlees toch brengen?’
‘Ja, dat is zo, jongen, maar nu we toch naar het Gasthuis moeten, kunnen we er net zo goed even langs gaan. Dan hoeft de slager met dit weer voor één worst niet helemaal naar ons toe te komen.’
Toen ze de winkel uitkwamen, liepen ze meteen door naar het Ewoud en Elisabeth Gasthuis.
Vader opende het hek en stapte naar de grote eiken deur toe. Nieuwsgierig volgde Bart hem. Hij was nog nooit binnen geweest in het grote witte gebouw. Vader belde aan. Bart luisterde hoe het geluid in de hal verstomde. Even later hoorde hij iemand met een sloffende tred naderen. Langzaam ging de grote eiken deur open. Het hoofd van meneer Verheul, een van de bewoners, verscheen om de deur. Bij het zien van Bart en zijn vader gooide hij de deur met een zwaai helemaal open.
‘Goedemiddag meneer Van Dam. Ik had toevallig net deurwacht.’ Meneer Verheul boog zich over naar Bart. ‘En kijk eens wie we daar hebben. Jij bent toch Bart? Ook even met papa mee om te kijken?’
Vriendelijk gebaarde hij de twee gasten om binnen te komen.
‘Maar wel goed de voeten vegen, jongeman,’ zei hij quasi streng. Bart deed dat maar en liep toen achter zijn vader aan. Die opende even later een deur.
‘Kijk, Bart, dit is nu de regentenkamer,’ zei hij.
Terwijl zijn vader een paar boeken uit een kast haalde, keek Bart zijn ogen uit. Het statige vertrek met het hoge gestukadoorde plafond maakte een diepe indruk op hem. De wanden waren bekleed met donkerrode velours. Er hingen zwarte ovale lijsten tegen, met de gezichten van mannen die hem streng aankeken.
‘Weet je wie dat zijn?’ fluisterde een stem achter hem.
Bart draaide zich verschrikt om. Het was meneer Verheul maar.
‘Dat zijn portretten van oude regenten, uit vorige eeuwen,’ beantwoordde meneer Verheul zijn eigen vraag. ‘Die houden zo nog steeds de boel een beetje in de gaten.’ Met een kakelend lachje verliet hij het vertrek.
Bart keek hoe zijn vader de boeken op de tafel legde en ze opensloeg. Het licht van de oude koperen kroon erboven bescheen zijn handen. Vader ging zitten en zei: ‘Ja, jongen, hier zit ik nu elke eerste zaterdag van de maand.’
‘Wat doet u dan precies?’ vroeg Bart.
Vader moest even nadenken. ‘Laat ik bij het begin beginnen. Je weet dat ik regent ben van het gasthuis. Maar dat werk doe ik niet alleen. Dat doe ik samen met zeven andere regenten. Allemaal zijn we voor het leven benoemd door de superintendenten, het college van Burgemeester en Wethouders. De regenten moeten mensen zijn, die te goeder naam en faam bekend staan. Dat staat zo in de ordonnantie.’
Bart knikte begrijpend. Dat hij er niet veel van snapte, durfde hij niet te zeggen. Als hij zijn vader wilde opvolgen, moest hij niet dom overkomen.
‘Een keer in de maand vergaderen we met elkaar,’ ging Barts vader verder. ‘Dan zitten we hier aan deze lange eiken tafel. En op die mooie gebeeldhouwde stoel daar zit dan de president.’
Opnieuw knikte Bart. Als vader met een president aan tafel zat, moest hij wel heel belangrijk zijn, dacht hij.
‘Wij als regenten hebben natuurlijk ook ander werk,’ vervolgde zijn vader, ‘en daarom worden we bijgestaan door een rentmeester, een opzichter van de landerijen en een secretaris. In het gasthuis zelf heeft de binnenmoeder de leiding. Met behulp van een verpleegster en het dienstpersoneel zorgt zij ervoor dat de bewoners goed verzorgd worden, dat alles schoon is, dat de boodschappen worden gedaan, dat het eten op tijd klaar staat, enzovoorts.’
Bart wilde niet al te dom lijken en daarom vroeg hij: ‘Wie wonen hier dan papa?’
‘Weet je wat?’ zei zijn vader. ‘We lopen even rond. Dan zie je direct hoe alles hier toegaat. Die boeken komen een andere keer wel.’ Vader stond op en borg de boeken weer in de kast.
Samen met zijn vader liep Bart door het gasthuis. Als eerste namen ze een kijkje in de kamer van mevrouw Klomp, de binnenmoeder.
‘Kijk Bart,’ zei zijn vader, ‘de binnenmoeder is net als mama. Ze is een goede huisvrouw die de huishoudelijke taken stuurt en erop toeziet dat de bewoners zich behoorlijk kleden en met gewassen handen aan tafel gaan.’
‘Dus net als thuis,’ merkte Bart op.
Zijn vader glimlachte. ‘Ja, net als thuis.’
Ze liepen de gang uit en sloegen linksaf. Ze wierpen een korte blik in een mooi ingerichte slaapkamer. Er zat een man in een grote leunstoel die hen vriendelijk groette. Daarna bekeken ze een grote slaapzaal met allemaal bedden.
‘Waar zijn die gordijnen voor?’ vroeg Bart.
‘Zo hebben de mannen een eigen plekje, jongen.’
‘Hebben ze dan niet een eigen kamer, zoals die eerste meneer?’ vroeg Bart verder.
Opnieuw moest vader even nadenken.
‘Dat komt omdat hier twee verschillende groepen mensen in het Gasthuis zitten,’ begon hij te vertellen. ‘De proveniers en de aalmoezeniers. De proveniers hebben allemaal een eigen kamer en alle vrouwen ook. Maar omdat er niet genoeg kamers zijn, slapen de mannelijke aalmoezeniers samen in een grote slaapzaal. Dat is die zaal met de gordijnen. Als ze hier komen, hoeven ze niets mee te brengen, zelfs geen kleren. Daar zorgt het gasthuis voor. Daarvoor in de plaats moeten ze net als jij thuis wat kleine klusjes doen. Zij hebben bijvoorbeeld deurwacht, zoals meneer Verheul. Dan moeten zij de deur open doen als er iemand aanbelt. Verder helpen zij tante Jans bij het koken en doen zij de boodschappen.’
‘En de proveniers hoeven geen klusjes te doen?’
‘Nee, jongen,’ zei vader. ‘Die betalen een groot bedrag om het Gasthuis in te mogen. Dat noemen we de inkoopsom. Ze krijgen daarvoor een eigen kamer en hoeven alleen te zorgen voor huisraad en kleding. Als ze doodgaan, gaat dat naar het gasthuis. Verder worden ze hier voor de rest van hun leven verzorgd en ze hoeven ook geen diensten te doen.’
‘Dus zij hoeven nooit op te ruimen?’
Vader lachte. ‘Nee jongen, alleen hun eigen kamer. Net als jij.’
‘Komen alle mensen die hier wonen uit Wijk?’ vroeg Bart.
‘Nee, hoor. Als er een plaatsje vrij komt, is er altijd een aantal mensen dat hier graag wil komen wonen. We kijken dan eerst of er iemand bij is, die in Wijk bij Duurstede is geboren en woont. Als die er niet is, dan kijken we of er iemand is die ergens anders geboren is, maar al zes jaar of langer in Wijk woont. Als we dan nog niemand hebben, krijgen mensen die in Wijk geboren zijn maar ergens anders wonen, hier een slaapplaats. En als er dan nog niemand is, mag iemand zich aanmelden die hier niet geboren is, of hier nooit heeft gewoond. Maar de meeste mensen die hier wonen, komen wel hier vandaan, hoor jongen.’
Inmiddels waren ze bij de keuken aangekomen. Bij een fornuis stond een vrouw in een grote pan soep te roeren.
‘Kijk Bart. Dat is mevrouw De Rooy,’ zei zijn vader.
Mevrouw De Rooy veegde haar handen af aan haar schort en gaf Bart een hand. ‘Jij mag wel tante Jans zeggen, hoor,’ zei ze.
‘Mevrouw De Rooy kan heerlijk koken,’ zei Barts vader. ‘Vraag maar aan de bewoners. Elke dag kookt zij het eten voor hen.’ Hij sloeg opeens zijn hand voor zijn mond. ‘En ik vergeet bijna de appeltaart die ze altijd voor onze verjaardagen bakt. En natuurlijk de stapels oliebollen en appelbeignets, die wij met oud en nieuw eten.’
‘Geeft niets, hoor meneer, als alles maar lekker smaakt. Maar gaat u toch even zitten. De heren lusten vast wel een glaasje limonade.’
Bart zag hoe zijn vader even aarzelde. Zou hij geen limonade lusten, of was het iets anders?
In de hal klonken enkele gongslagen. Het Gasthuis kwam opeens tot leven. Overal vandaan sloften mannen en vrouwen naar de eetzaal.
‘Dat is de gong voor het eten. Sorry heren, ik ben bang dat de limonade erbij inschiet.’
‘Geeft niets mevrouw De Rooy, een andere keer dan maar,’ zei vader. ‘Wij moeten toch ook weer naar huis.’ Haastig namen ze afscheid.
Toen ze de keuken uitliepen, botsten ze bijna tegen een andere vrouw op.
‘Dag meneer van Dam,’ zei ze. ‘Ik hoorde al van meneer Verheul dat u er was. En ik zie dat u ook uw zoontje bij u heeft.’ Ze boog zich naar Bart over en gaf hem een hand.
‘Dit is mevrouw Klomp, Bart,’ stelde vader haar voor. ‘Ze is de binnenmoeder die hier alles regelt.’
Mevrouw Klomp lachte. ‘Dat doe ik niet alleen, hoor,’ zei ze. ‘Anders moet ik wel heel veel doen. Maar wat vond je eigenlijk van de rondleiding?’ vroeg ze er meteen achteraan.
‘Ik vond het wel leuk, mevrouw,’ antwoordde Bart beleefd. ‘Vooral die kamer met dat mooie plafond.’
De binnenmoeder glimlachte. ‘Wie weet zit je daar over een tijdje zelf wel,’ zei ze.
‘Dat duurt nog wel even, mevrouw Klomp,’ zei vader. ‘Eerst moet hij nog goed zijn best doen op het gymnasium.’
Mevrouw Klomp knikte. ‘Wilt u mij nu excuseren, meneer Van Dam? Ik moet naar de eetzaal. We zien elkaar volgende week wel weer.’ Ze nam afscheid en verdween in de richting van de eetzaal.
Toen ze weer in de hal waren, opende meneer Verheul de deur en liet de gasten uit.
‘Tot ziens meneer Van Dam,’ zei hij. ‘En Bart, kom gerust nog eens een keertje mee,’ voegde hij er haastig aan toe.
‘Tot volgende week zaterdag, meneer Verheul,’ zei vader. ‘Ga maar gauw naar de eetzaal, anders is alles op.’ Hij grinnikte toen de deur achter hem dichtsloeg.
Bart opende het hek voor zijn vader. Daarna haastte hij zich de Muntstraat in.
‘Kom, papa,’ riep hij, ‘we zouden nog kastanjes gaan zoeken in het park, weet u nog?’
‘Ja, maar we zouden eerst naar de slager gaan. Je zou me nog helpen herinneren.’
‘Dat was ik helemaal vergeten,’ zei Bart beteuterd. ‘Maar daarna gaan we toch wel naar het park?’
Zijn vader knikte.
‘Wie het eerst bij de slager is,’ zei Bart. Hij zette het op een rennen,
Van Dam gaf zijn zoon een flinke voorsprong. ‘Ooit zal jij mijn taak overnemen, jongen. Ooit zal jij regent zijn van het Ewoud en Elisabeth Gasthuis,’ sprak hij tegen zichzelf, alvorens hij de achtervolging inzette.

Vele jaren later zou Bart van Dam dezelfde wandelingen vaker maken, maar dan alleen. Net als zijn vader, grootvader en overgrootvader, maakte ook hij vele jaren deel uit van het bestuur van het Ewoud en Elisabeth Gasthuis. En net als zijn vader bestuurde hij het vanuit de regentenkamer, dat nagebouwd nog te bewonderen is in museum Dorestad. De bewoners kwamen net als in de honderden jaren voor zijn vader, op dezelfde wijze in het Gasthuis terecht. Vanaf de oprichting van het huis in 1400 door Willem van Abcoude, tot de verhuizing in 1970 zorgden de binnenmoeder, regentessen en verplegers voor een goede oude dag van de proveniers en de aalmoezeniers. De situatie veranderde pas, toen in de Gansfortstraat een nieuw Gasthuis gebouwd werd. Het regentschap was voor alle mannen slechts een bijbaan. De werkzaamheden werden immers in al die honderden jaren pro-deo verricht. Als tegenprestatie ontvingen de regenten rond Pasen zes waardebonnen van 50 cent, die recht gaven op een Paasbrood, af te halen bij de plaatselijke bakker. Dit bedrag krijgt het huidige bestuur nog steeds. Al is dat bedrag enkele jaren geleden, in een royale bui van het bestuur zelf, verhoogd tot twee gulden vijftig. Bij de invoering van de euro is dat omgezet in twee euro en vijftig cent.

Jeroen Brouwer