side bg

Geschiedenis saai?

Integrale tekst van een krantenartikel over de oprichting van de Historische Kring, waarin een interview met prof. dr. C. Dekker, een van de oprichters.

Geschiedenis maak je zelf!

De Noormannen plunderen Dorestad

De Noormannen plunderen Dorestad

Wie aan jonge mensen vraagt of ze geïnteresseerd zijn in “geschiedenis”, ziet vaak al aan de verveelde uitdrukking op het gezicht dat dit meestal niet het geval is. Eigenlijk wel logisch, want tot aan zo’n beetje het 40ste jaar heeft men meer toekomst dan verleden en is het dus begrijpelijk dat deze toekomst belangrijker is dan het verleden. Gedeeltelijk is het echter ook het beeld wat men nog steeds heeft van geschiedenis en zeker van de geschiedenis die men verplicht is op school te leren. En dat is jammer, want wie jonge mensen duidelijk kan maken dat geschiedenis niet identiek is met: 800 Dorestad verwoest door Vikingen of 1600, slag bij Nieuwpoort, maar dat jezelf ook deel uitmaakt van de geschiedenis, ja zelfs de geschiedenis mede bepaalt, kan wellicht rekenen op meer belangstelling.

1966

Met als motto: Geschiedenis saai? Geschiedenis maak jezelf! viert de Historische Kring Tussen Rijn en Lek haar jubileumjaar in 2006 niet met de focus op de oude en roemruchte geschiedenis van het Kromme Rijngebied, maar op haar eigen “geschiedenis”. 
In 1966 werd de Kring opgericht. Was dat toeval of was het – achteromkijkend – een logische stap in een maatschappelijk proces. Het jaar 1966 was natuurlijk niet alleen belangrijk als oprichtingsjaar voor de Historische Kring; het was een jaar met erg veel nieuwe en vaak ook spectaculaire ontwikkelingen. Op dat moment leef je gewoon je dagelijkse leven, je doet de boodschappen en de was en je werk.
Maar terugkijkend besef je dat je eigenlijk deel uitmaakte van een aantal historisch belangrijke ontwikkelingen: D66 werd opgericht, de eerste landing op de maan van een Russisch (onbemand) ruimteschip, de eerste niertransplantatie in het Academisch Ziekenhuis Leiden, Beatrix trouwde met Claus, de rookbom die naar de trouwkoets geworpen werd, was een uiting van maatschappelijke onvrede, de nacht van Schmelzer vond plaats, de Beatles en Stones schreven muzikale geschiedenis, de jongeren gingen massaal aan de hasj, love en peace.

2006

Kortom wie omkijkt in verwondering, ziet zichzelf (of zijn/haar) ouders als deelnemer aan een buitengewoon boeiende “geschiedenis” en dat pas 40 jaar geleden! 

Samen met het Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede zal de Historisch Kring Tussen Rijn en Lek een tentoonstelling organiseren (van begin september tot eind oktober 2006) over dit veelkleurige jaar 1966. Onder de voorlopige titel: Blowen en breien, moet het jaar 1966 in het museum herleven. Wie herinnert zich niet de kleding, de grote brillen, de lange haren, de oranje interieurs, de zitkuilen en zitzakken, de handgebreide vestjes, de hennepplantjes in de vensterbanken de lange haren, de (psychedelische) muziek van Stones, Beatles, maar ook van Brel en Boudewijn de Groot, de Puchbrommers, de lelijke eend enzovoort enzovoort. Iedereen die boven de 50 is kan de lijst moeiteloos met vele voorbeelden aanvullen.

Mannen van het eerste uur

Prof. dr. C. Dekker, luisterend naar de voorzitter, in 2006.

Maar wie waren nu eigenlijk de oprichters van de Historische Kring en wat waren de motieven om dat te doen? Gelukkig was één van de “mannen van het eerste uur”, Prof. dr. C. Dekker, bereid in het verleden te duiken om het verhaal van de oprichting aan de vergetelheid te ontrukken. Wat professor Cornelis Dekker als Gents historicus, met zijn roots in Wemeldinge in Zeeland, opviel toen hij benoemd werd in 1962 tot archivaris aan het Rijksarchief in de provincie Utrecht en ging wonen in het landelijke Odijk, was de geringe belangstelling van de inwoners van het Kromme Rijngebied voor de buitengewoon interessante geschiedenis van hun leefgebied. Nu was dat in de begin jaren-60 van de vorige eeuw niet uitzonderlijk. In de hele provincie Utrecht waren er slechts 3 historische verenigingen: Flehite in Amersfoort en Nifterlake in de Vechtstreek, beide al opgericht in de 19de eeuw en Oud Utrecht dat zich vanaf 1920 voornamelijk bezig hield met de stadsgeschiedenis van de stad Utrecht. Flehite en Oud Utrecht pretendeerden wel dat het Kromme Rijngebied tot hun interessegebied behoorde, maar in de praktijk was er nauwelijks belangstelling.
De historische verenigingen waren destijds ook behoorlijk elitair, eigenlijk een soort sociëteiten, waar de modale inwoners van deze streek weinig feeling mee hadden. 
In 1964 kreeg Odijk weer een eigen Katholieke kerk. De net benoemde pastoor van de Odijkse parochie vroeg aan – toen nog – drs. Dekker of hij ter gelegenheid van dit feit de geschiedenis van de Katholieke kerk in Odijk wilde beschrijven. Hij stemde daar in toe en schreef het boek “Odijk, van parochie tot parochie”, waarmee hij velen een groot plezier deed. De Bunnikse wethouder Jan Oostendorp, die als een van weinigen in die tijd wel belangstelling en oog had voor de streekgeschiedenis, meende in Dekker een gelijkgestemde te herkennen en besprak met hem zijn wens om een historische vereniging op te richten voor Bunnik, Odijk en Werkhoven. Dekker stelt heel eerlijk: “Ik was erg sceptisch, omdat ik weinig potentieel in de omgeving zag om zo’n vereniging bestaansrecht te laten hebben. Maar ik beloofde mee te werken als Oostendorp het initiatief nam. Die liet er geen gras over groeien en schreef 16 geestverwanten aan met het verzoek op 29 maart 1966 bijeen te komen in het Oude Radhuis van Bunnik om de mogelijkheden tot oprichting van een historische kring te bespreken.”

Voor tien gulden

Het enthousiasme voor het plan bleek groot bij de 17 aanwezigen (9 uit Bunnik, 5 uit Odijk, 1 uit Werkhoven en 2 uit Utrecht). Er werd diezelfde avond nog een bestuur gevormd. Drs. C. Dekker werd unaniem tot voorzitter benoemd, de eerste secretaris was C.A. van Wiggen, de eerste penningmeester A.G. de Wit van de Rabobank in Odijk en N. Legemaat uit Werkhoven en mevrouw Van Ginneken uit Bunnik waren de eerste bestuursleden. 
Moeiteloos citeert Prof. Dekker na 40 jaar nog de tweeledige doelstelling, die op die 29ste maart geformuleerd werd: “Bevordering van de kennis van de geschiedenis van het Kromme Rijngebied en stimulering bij de bevolking van de belangstelling voor geschiedenis in het algemeen”. Het lidmaatschap werd bepaald op ƒ 10,-. Om de bevolking te bereiken en te enthousiasmeren wilde men lezingen organiseren, deelnemen aan tentoonstellingen, een periodiek uitgeven en excursies organiseren.

De eerste lezing op 25 mei 1966 in de prachtige locatie Kasteel Beverweerd was een enorm succes. Meer dan 80 personen kwamen luisteren en kijken naar de jurist prof. mr. W. van Iterson die een boeiend verhaal bracht over de rechtshistorische aspecten van het Kromme Rijngebied. 
Onder zijn gehoor ook de Houtenaar Leen de Keijzer en Piet Heimink Liesert uit Schalkwijk. Zij waren zeer enthousiast en verzochten het gloednieuwe bestuur van de gloednieuwe kring gelijk of het interessegebied, dat in het begin uitsluitend bedoeld was voor de gemeente Bunnik, niet uitgebreid kon worden met Houten en Schalkwijk. Ze beloofden zelf onmiddellijk leden te gaan werven in hun omgeving. De acties verliepen succesvol en zij traden al in juni van 1966 toe tot het bestuur. De naam van de kring werd nu definitief: Historische Kring Tussen Rijn en Lek. Toen op 7 februari 1967 de statuten koninklijk goedgekeurd werden stond niets de groei en bloei van de historische kring meer in de weg.

Wie schrijft die blijft 


Van meet af heeft het bestuur getracht een consistent beleid te voeren waarbij er uitgegaan werd van de persoonlijke kwaliteiten van de actieve leden en het geboeid houden van het “grote publiek”. In 1967 werd in een bestuursvergadering genotuleerd dat men de activiteiten wilde structureren door het instellen van 3 werkgroepen met als werkterreinen de archeologie, de fotografie en het archiefonderzoek. “En eerlijk is eerlijk, slechts één van deze ingestelde werkgroepen is succesvol, tot op de dag van vandaag”, vertelt prof. Dekker.”Het is duidelijk dat je als vereniging afhankelijk bent van de persoonlijke betrokkenheid en inzet van individuele leden. Leen de Keizer die in Houten het archeologisch onderzoek vrijwel in zijn eentje op de kaart zette, is zo’n betrokken persoon. In 1968 mocht hij met zijn groep de opgravingen doen bij de 14de eeuwse steenoven van ’t Goy. In 1971 verscheen daarover een rapport. De opgraving en rapportage bleek zo professioneel georganiseerd en uitgevoerd dat naar aanleiding hiervan het ROB (Rijks Oudheidkundig Bodemonderzoek) daarna graag met hen samenwerkte”.
Een van de kleine wondertjes in het bestaan van Tussen Rijn en Lek is de bloei van het tijdschrift dat (nog steeds) 3 a 4 maal per jaar uitgegeven wordt. Het eerste bestuur zag een “periodiek” zoals dat destijds heette als een belangrijk communicatiemiddel met de leden. Echter ook op dit gebied kampte men met een vrijwel ontbrekend schrijverspotentieel. Via het uitgebreide netwerk van Dekker bood de heer A. Graafhuis, ambtenaar bij het gemeentearchief van Utrecht zijn pro deo hulp aan, mits hij het op zijn eigen eenvoudige wijze mocht vormgeven en uitvoeren. Het eerste “periodiekje” verscheen in maart 1967 met de heer Graafhuis als eindredacteur. Hij kon werkelijk toveren met schaarse middelen, want eigenlijk was er geen geld, waren er weinig mensen uit de regio die een goed historisch artikel konden schrijven en werd de bezorging zoveel mogelijk door de leden persoonlijk gedaan. De artikelen werden in die beginperiode voornamelijk geschreven door mensen als Van Iterson, Mw. Polak de Booy, Weijtens, Damsté, Oostendorp en Dekker zelf. Veelal waren zij zelf geen bewoner van het Kromme Rijn gebied, maar behooden zij tot de kennissenkring van de bestuursleden. Twee fotografen, G.M. Staal uit Odijk en G.Th. Delemarre uit Bunnik maakten, indien nodig de foto’s. Tot 1979 is Graafhuis eindredacteur geweest. In dat jaar trad ook Prof. Dekker als voorzitter af. Hij kon aan zijn opvolger een bloeiende vereniging overdragen met 209 leden, een goed gelezen periodiek, een druk bezocht lezingenprogramma en goede contacten met de bevolking en het bestuur en gremia die graag gebruik maakten van de expertise die de kring opgebouwd had. Dat gold in sterke mate voor de archeologie werkgroep. Dankzij de medewerking van de werkgroep van Leen de Keijzer is de Oudheidkamer in Houten in 1971 op professionele wijze heringericht. Maar ook verleende tussen Rijn en Lek medewerking aan exposities. Eigenlijk al vanaf het begin. In 1966 werd mede door hen al een expositie ingericht bij de opening van een lagere school in Odijk.

Een succes, al 40 jaar, zijn zeker ook de excursies. Destijds vooral naar interessante plaatsen in het Kromme Rijngebied zelf. Zo ging men naar een opgraving in Vechten en Wijk bij Duurstede, naar de Evangelische Broedergemeente in Zeist. Een gedenkwaardig excursie was die in 1970 door kasteel Heemstede, dus voor de brand. Het kasteel verkeerde in een erg vervallen staat en er was geen elektriciteit. Leen Keizer organiseerde een bijzondere rondleiding ’s avonds door het kasteel. Vanwege het ontbreken van elektriciteit kreeg iedereen een brandende kaars mee, hetgeen de spannende sfeer zeer verhoogde. Er waren maar liefst 109 geïnteresseerden voor deze excursie. Het doet het huidige bestuur deugd te constateren dat er voor de rondleidingen in kasteel Heemstede (op een aantal zaterdagen in 2005 en 2006) nog steeds grote belangstelling is en hoewel we nu twee eigenaren verder zijn en het kasteel recent ingrijpend gerestaureerd is, organiseert de Historische Kring nog steeds de rondleidingen, waarvoor een grote belangstelling is, alle rondleidingen zijn overtekend. 
Tegenwoordig wordt er één dagexcursie per jaar georganiseerd naar een breed scala van historisch interessante plaatsen, tot zelfs in de buurlanden. En ook voor deze excursies zijn er vrijwel altijd meer liefhebbers dan er plaatsen zijn. 

Prof. Dekker kan dus tevreden terug kijken op de door hem gelegde fundamenten van deze bloeiende historische kring met nu rond de 500 leden in de drie gemeenten Houten, Wijk bij Duurstede en Bunnik. Als we vragen of er ook vermeldenswaardige teleurstellingen waren vertelt hij lachend het volgende: ” Wij dachten als bestuur een heel goede manier te hebben bedacht om iedereen in het Kromme Rijn gebied bij onze interesse te betrekken; dus we schreven in 1968 een fotowedstrijd uit. We wilden graag dat iedereen in zijn eigen omgeving keek naar de historisch waardevolle zaken. Daar moest men dan een foto van maken en aangeven wat er zo mooi aan was en waarom het behouden zou moeten worden. Wij verwachtten een enorm enthousiasme met wellicht honderden inzendingen. Er kwam er… niet één. Dat kan je dus wel een mislukking noemen. Kennelijk fotografeerde men toen in het Kromme Rijngebied niet graag!” 

Tot zover de herinneringen van prof. dr. C. Dekker aan zijn tijd als oprichter, bestuurder en lid van de Historische Kring. Hij heeft als historicus, archivaris en hoogleraar paleogafie aan de Universiteit van Amsterdam vele wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Zijn boek “Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen” is een standaardwerk en voor belangstellenden zeer de moeite waard. Het is uitgegeven door de Walburgpers in 1983 in de Stichtse Historische Reeks. 
ISBN 906011.228.8 

Het bestuur van de Historische Kring hoopt u volgende maand te kunnen melden dat er al vele 1966 meldingen zijn binnengekomen. Wij blijven een jaar lang in nostalgie omzien naar onze eigen geschiedenis. Geniet u met ons mee?

Norma Mulder, 
bestuur Tussen Rijn en Lek, 24 januari 2006 


 

side bg