side bg

Antoinet Schellekens

Antoinette SchellekensAntoinet is geboren als een van een tweeling op 9 december 1926 in Wijk bij Duurstede. Haar tweelingzus heette Johanna Maria Antonia (overleden in 2003). Ze woonden vrijwel hun hele leven in het historische pand Markt nummer 10. Iedereen in Wijk en ver daarbuiten kende de unieke tweeling, mede door hun optreden in het tv-programma De Stoel van Rik Felderhof.


Familie

Haar vader is Johannes Franciscus Petrus Schellekens; zijn vader had een apotheek/kruidenierszaak in de Oeverstraat (het huidige pand van galerie Ahrends). Antoinet bezit nog een lakzegelstempel van deze opa. Haar moeder was Maria Wilhelmina van Groningen; zij werd geboren op Volderstraat 2 (het huidige Eethuys Dorestad). Later verhuisde moeder naar de Markt 29 (nu slagerij Mulder). Daar was in die tijd de sociëteit “De Burgervriendenkring” gevestigd, maar ook een kleermakerij. Oma van Groningen heeft er tot haar dood in 1936 gewoond. Het gezin Schellekens telde in 1932 negen kinderen.

De Markt in het oude centrum van Wijk bij Duurstede

Vader Schellekens kocht het pand Markt 10 in Wijk bij Duurstede in 1925. Hij was kassier van de Boerenleenbank (nu Rabo) en hield kantoor aan huis. Markt 10 is een van de oudste panden van Wijk bij Duurstede (ongeveer 15de eeuw). Toen Johannes Schellekens het pand kocht was er nog alleen een pomp, geen WC en veel achterstallig onderhoud. Hij liet het ingrijpend opknappen. Op de plaats van het oude kolenhok kwam een WC met – voor die tijd revolutionair – een doortrekmechanisme. Dat maakte gebruik van het op zolder opgevangen hemelwater. De kamers werden grondig opgeknapt, mooi geschilderd. Het gestucte plafond in de mooie kamer werd ook in kleur geschilderd en is anno 2010 nog helemaal in de staat van 1926 en helemaal gaaf. De mooie kamer op de begane grond werd en wordt alleen gebruikt voor cliënten en hoge gasten of op belangrijke feestdagen.
De pastoor was zo’n belangrijke gast. Omdat hij altijd wat misprijzend keek naar het blote engeltje (putti) wat geschilderd was in de wandschildering boven de schoorsteenmantel, hebben vader en moeder besloten om de Wijkse schilder Van Nijendaal te vragen het engeltje te voorzien van een lendendoekje. Het engeltje draagt dit kledingstukje anno 2010 nog steeds.

bij verhaal antoinet schellekens

Het engeltje op het schilderij kreeg een keurig lendedoekje van schilder Van Nijendaal

Een dag uit het leven van de 10-jarige Antoinet
Ochtend

Ik sliep met mijn zussen An, Riet en Cor op een slaapkamer. De tweeling in een tweepersoonsbed, de anderen in een eenpersoonsbed. Mijn 5 broers sliepen met z’n allen op de grote zolder. Mijn grote broer studeerde al in Utrecht.
Moeder maakte de schare kinderen wakker. Dat was behoorlijk vroeg, want we moesten voor de school begon elke dag eerst naar de schoolmis. Wassen stelde niet veel voor. Er was ook nog geen warm water, hoewel vader in 1925 wel stromend water had laten aanleggen. De meisjes kleedden zich in hun jurkjes of rokjes met truitjes, door moeder zelf gemaakt. We aten met z’n allen in de keuken, meestal brood. Met zo’n groot gezin was er veel brood nodig. Dat werd gebracht door de bakkers. Mijn ouders lieten dat zo’n beetje om de maand door een andere bakker bezorgen; ze gunden verschillende bakkers hun klandizie. Er waren toen erg veel bakkers voor zo’n kleine plaats (in 1936 rond de 3500 inwoners): Barten, Lieverse, Heiligenberg. Ik dacht dat het wel om katholieke bakkers ging, want wij waren katholiek en het was toen wel gebruikelijk dat je bij de middenstand van je eigen geloof winkelde.
Meisjes en jongens gingen gezamenlijk naar de schoolmis elke dag voor schooltijd. Daarna gingen de jongens naar de jongensschool; die was gevestigd in het Walplantsoen. De meisjes gingen naar de meisjesschool in het Schoolstraatje. Die school werd geleid door nonnen. Zij waren van de Orde van de Zusters van Liefde, maar wij zeiden als kind: “zusters van liefde, maar krengen van barmhartigheid”. Ze waren niet altijd even aardig.  Rond twaalf uur ging de school uit. We hadden een lange middagpauze, want de meeste mensen aten toen tussen de middag warm. Bij ons thuis ook. Moeder kookte met het dienstmeisje en de werkster  het eten op het grote fornuis dat gestookt werd met eierkolen. Als we thuiskwamen en we vroegen: “Moeder wat eten we? ”, was haar vaste antwoord “hoepelstokken en straatstenen”.
Achter op de plaats bij het schuurtje stond een waspot; een op hout gestookt fornuis, waar de witte was gekookt werd.

Middag
Na het warm eten gingen we weer naar school tot een uur of half vier. Na schooltijd mochten we buitenspelen. We hadden hier aan de Markt natuurlijk een prachtig groot speelterrein. Soms gingen we kaatsenballen, soms knikkeren of hoepelen. Roos en Tonnie Spelier van de de bakker waren onze vriendinnetjes. Het avondeten, zo rond 6 uur, was altijd een broodmaaltijd.

Avond
Ook ’s avonds werd er niet uitgebreid gewassen . Een keer per week gingen we in de teil. Alle kinderen gingen apart. Meestal bracht vader ons naar bed. Nou, ja, hij “gooide ons in bed”. Daarbij zong hij steevast het liedje: ” Toen Jonas in de walvis zat. En hij gebraden stokvis at, Van je een, twee, drie.” Hij jonaste ons dan in bed. We vonden dat heel leuk. Wij sliepen in een 2-persoons houten bed. Voorafgaand aan het bedritueel deden we een gebed. Meestal een rozenkrans en ook baden we vaak voor de overledenen.

Moeder in een ‘mannenrol’
Vader Johannes Schellekens was behalve kassier van de Boerenleenbak ook actief in de kerk en maatschappij. Hij was voorzitter van de Vincentiusvereniging. Een instituut van de katholieke kerk dat aan armoedezorg deed. Ook heeft hij zich als wethouder verdienstelijk gemaakt in het plaatselijke bestuur in het college van burgemeester Van Veen. De kinderen Schellekens mochten regelmatig officiële bijeenkomsten bijwonen. Antoinet mocht als 10-jarige de burgemeester zelfs een kusje geven.
In 1938 kreeg hij tijdens een vergadering van de Vincentiusvereniging in Calypso een hartaanval. Hij overleed in het ziekenhuis, zijn vrouw en 9 kinderen, waarvan de jongste pas 4 was, verweesd achterlatend. In die tijd had een weduwe geen inkomsten.
Moeder besloot te proberen of zij haar man als kassier mocht opvolgen. Dat was verre van gebruikelijk, de meeste boeren wilden geen vrouw als kassier. Maar een enkele steunde haar wel en uiteindelijke lukt het toch. Tot 1958 heeft ze het kassierschap tot ieders volle tevredenheid uitgeoefend. Antoinet herinnert zich nog goed dat zij als jonge dame door haar moeder naar het hoofdkantoor in Utrecht werd gestuurd om geld te brengen of geld te halen. Gewoon met de bus en ze liep dan toch rond met ettelijke duizendjes in haar tasje. Bang is ze nooit geweest. Maar ja, het waren ook andere tijden.
Maar qua verdiensten was het bepaald geen vetpot. De familie, vooral van vaders kant is regelmatig bijgesprongen wanneer er geen geld was voor de studies van de jongens bijvoorbeeld. Deze hebben uiteindelijk allemaal goede banen gekregen. Eén is bijvoorbeeld rector van het Dominicuscollege in Nijmegen geworden. Een andere broer werd directeur van het pensioenfonds van Douwe Egberts.

Via de naaischool en het huishouden naar de koekfabriek
Antoinet mocht na de lagere school (1938) naar de ULO. 
Ze heeft het examen niet gehaald, maar had weinig zin het nog eens over te doen. Het was 1943, midden in de oorlog, dat ze besloot van school af te gaan. Ze heeft toen nog wel een jaar “naaischool”gedaan. Ook de naaischool was een door nonnen geleid kerkelijk instituut. Er werd lesgegeven in het naaien van allerlei kleding en huishoudelijke dingen, maar de zusters naaiden (met hun leerlingen) ook in opdracht. Zo moest Antoinet een pyamabroek naaien in opdracht van Piet IJzendoorn. Ze is eerst wel gaan vragen of het een broek met of zonder “split”moest zijn.
Na het jaar naaischool is Antoinet – het is dan 1944 – samen met haar tweelingzus, haar moeder gaan helpen om het huishouden te runnen. Moeder werkte nog fulltime als kassier en kon in het drukke huishouden goed hulp gebruiken. Betaald werden zij niet.
Wat Antoinet zich ook nog herinnert als de dag van gisteren is de inkwartiering van soldaten in hun huis. In mei 1940 waren de soldaten op terugtocht na de capitulatie. Het was een enorme drukte om de groep soldaten en de officier te herbergen, te slapen te leggen, te eten te geven. De officier sliep op de bank in de mooie kamer. Het was overigens, ondanks de droeve aanleiding wel gezellig met zoveel mensen in huis, vond Antoinet.
Haar grote broers hadden haar bezworen dat ze zich nooit met Duitsers moest inlaten. Toen ze als 14 jarige voor het huis aangesproken werd door een knappe jonge Duitse soldaat die vroeg “Gehen sie mit spazieren?”, dacht ze aan de waarschuwing van haar broers en antwoordde: “Ik heb geen tijd, want ik moet de was doen”.
Goede herinneringen bewaart Antoinet aan de lekkere soep op zondag. Dan werd er ’s nachts “een botje opgezet”(een schenkel met vlees op een petroleumstel). Van deze bouillon maakte moeder elke zondag een heerlijke vermicellisoep, uiteraard met balletjes erin. Een ander vast weekendgenoegen om je op te verheugen was de “toverklokcake”, een soort tulband die door moeder elke weekend gebakken werd. Ook de cake werd gebakken op het petroleumstel.
De zussen Riet en Cor werkten buitenshuis. Riet op het kantoor van de koekjesfabriek Van Doesburg in Zeist en Cor op het kantoor van Duetz herenmodezaken, ook in Zeist. Later trouwde Cor met de eigenaar van de 4 zaken, die tevens makelaar was.
Toen Riet in 1960 er wel een hulpje bij kon gebruiken, bood Antoinet zich aan. Zij wilde graag zelf wat verdienen. Moeder kon haar thuiswerkende kinderen geen loon betalen. Ze was inmiddels met pensioen en kreeg na een lange staat van dienst fl 100,- per maand uitgekeerd. Antoinet en An werkten dus nog steeds voor kost, inwoning en kleding.
Bij Van Doesbrug werkte Antoinet op de boekhoudafdeling. Ze had het erg naar haar zin. En reed fluitend elke werkdag met de bus naar Bunnik en vandaar naar Zeist. Dan was je wel even onderweg.
Moeder en An aten nog altijd, gewoontegetrouw tussen de middag warm. Als Antoinet dan
‘s avonds thuis kwam werd er voor haar apart gekookt. Soms bleef ze ook wel eens bij haar zus Cor in Driebergen slapen, die had een prachtig, groot huis voorzien van alle moderne gemakken.
Helaas werd Antoinet in 1976 ziek en wilde haar werkgever niet toestaan dat ze de door de dokter geadviseerde drie weken ziekteverlof opnam. Het werd een onverkwikkelijk conflict, wat Antoinet uiteindelijk verloor. Zus Riet heeft er toen voor gezorgd dat ze wel een ziekteuitkering kreeg.

De tweeling koopt het ouderlijk huis aan de Markt
In 1974 is de tweeling samen met moeder bij Cor gaan wonen. Moeder was ernstig ziek en het huis van Cor was met alle moderne voorzieningen en centrale verwarming veel geschikter om een zieke verzorgen. Het pand aan de Markt bleef in de familie. Af en toe logeerden An en Antoinet in hun “eigen” huis aan de Markt. Na het overlijden van moeder in 1974 zijn ze tot 1978 bij Cor blijven wonen.  In 1978 was in de familie nog niet besloten wat er met het huis moest gebeuren. An en Antoinet besloten er voorlopig toch maar weer te gaan wonen. Hun hart trok naar Wijk. Toen in 1981 de huizenprijzen omlaag kelderden besloot Antoinet, die in haar werkzame leven aardig had kunnen sparen, de stap te wagen om het huis zelf te kopen. De broers wilden een onafhankelijke marktconforme taxatie. Het werd getaxeerd op fl 180.000,- Omdat de tweeling uiteraard als erfgenamen deelden in de erfenis, kregen ze beiden 1/9 van dit bedrag. Daardoor kwam het huis financieel binnen hun bereik en kon Antoinet het pand kopen.

Een mooi leven samen in Wijk
De zussen hebben een lange en gelukkige tijd gehad aan de Markt in Wijk. Eigenlijk kende iedereen de tweeling die graag overal een praatje maakte. Helaas is An in 2003 overleden.
Antoinet bewoont het grote huis nu alleen. Ook nu zij niet meer mobiel is en de ouderdom in haar ledematen voelt ziet ze kans haar leven zo leuk mogelijk te leven. Familie en een paar goede vrienden komen haar graag en regelmatig bezoeken en de praktische persoonlijke en huishoudelijke hulp is goed geregeld. Ze heeft haar nalatenschap goed geregeld.
In een nagesprek vraag ik Antoinet naar haar hobbies. Dat zijn moderniteiten waar ze zich niet mee bezig heeft gehouden. Er was altijd “echt” werk te doen. De dagen waren, ook in het weekend aardig gevuld. De zussen zijn altijd trouw kerkbezoeker gebleven, tot het fysiek niet meer mogelijk was. “Als er eens wat tijd over was, zaten we vaak te breiden of te naaien. En we deden ook wel spelletjes, bijvoorbeeld dammen. “
Dingen als sporten, nooit over nagedacht. Antoinet: “Ik herinner me dat ik een keer naar het zwembad ben geweest. Dat was toen ik op de ULO zat. Ik durfde nauwelijks het water in. En natuurlijk had ik geen badpak. Mijn moeder had een geïmproviseerd badkostuumpje gemaakt van een oude onderjurk. Op de vraag of daar foto’s van zijn, komt – helaas – een ontkennend antwoord.
Wat ze nog wel met weemoed kan bekijken is het poëziealbum dat haar moeder zelf voor haar maakte in de oorlog. Enigszins geïmproviseerd, want er was aan alles tekort, maar wel een uniek en ontroerend tijdsdocument

In het jaar 2000, in het kader van het 700 jarig bestaan van Wijk bij Duurstede, zijn de twee zussen geportretteerd door Rik Felderhof in zijn programma De Stoel.

Antoinet Schellekens is op 21 december 2015 overleden.

Tekst en foto’s: Norma Mulder
oktober 2010

side bg